ECLI:NL:RVS:2022:2852
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf in hoger beroep vreemdelingenrecht
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 6 november 2020 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 3 februari 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 19 mei 2021 gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling en bevestigde daarom het vonnis van de rechtbank.
De Afdeling stelde vast dat eerdere jurisprudentie over vergelijkbare rechtsvragen geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. De staatssecretaris werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. Hiermee is de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf definitief bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt bevestigd.