ECLI:NL:RVS:2022:2867
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing terugvordering kindgebonden budget en aanmaningskosten
Appellant maakte bezwaar tegen een aanmaning en dwangbevel van de Belastingdienst/Toeslagen wegens een vermeende betalingsachterstand van €338 over het kindgebonden budget 2017. De Belastingdienst stelde dat de Sociale Verzekeringsbank had gemeld dat appellant aanspraak had op buitenlandse gezinsbijslag voor november en december 2017, waardoor terugvordering noodzakelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen de terugvordering ongegrond. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel, wijst het verzoek om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen af omdat de regeling niet van toepassing is op aanmaningen en dwangbevelen, en verklaart het hoger beroep tegen het besluit van 5 juni 2020 niet-ontvankelijk vanwege vervanging door een nieuw besluit van 4 september 2020.
Verder wijst de Afdeling het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens vermeende psychische mishandeling af, omdat appellant het oorzakelijk verband niet aannemelijk heeft gemaakt en geen sprake is van opzet door de Belastingdienst. Ook het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat de gemachtigde geen professioneel rechtsbijstandverlener is en de overige kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Ten slotte gelast de Afdeling de Belastingdienst/Toeslagen het betaalde griffierecht van appellant te vergoeden. De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van de terugvordering en de afwijzing van de overige verzoeken.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk dan wel ongegrond; terugvordering kindgebonden budget bevestigd; verzoeken om dwangsom, schadevergoeding en proceskosten afgewezen.