Uitspraak
Datum uitspraak: 5 oktober 2022
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
griffier
Raad van State
De vennootschap exploiteert een pluimveebedrijf en verzocht de minister om geheimhouding van diertelgegevens vanaf 2005, uit vrees voor sabotage en bedreigingen door dierenrechtenactivisten. De minister besloot tot uitgestelde openbaarmaking en verklaarde het bezwaar van de vennootschap ongegrond. De rechtbank bevestigde dit en oordeelde dat het verzoek van een derde partij op grond van de Wob geen misbruik van recht was.
De vennootschap stelde in hoger beroep dat openbaarmaking tot concrete schade zou leiden, onderbouwd met incidenten van bedreigingen en inbraken. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de diertelgegevens milieu-informatie betreffen en dat de bewijsrechtelijke drempel voor het achterwege laten van openbaarmaking hoog is. Hoewel de vennootschap haar vrees begrijpelijk achtte, waren de concrete aanwijzingen onvoldoende om openbaarmaking te weigeren.
De minister mocht aannemen dat eerdere incidenten geen directe relatie hadden met openbaarmaking van diertelgegevens en dat het belang van openbaarmaking zwaarder woog dan het belang van geheimhouding. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vennootschap is ongegrond verklaard en de openbaarmaking van diertelgegevens blijft gehandhaafd.