ECLI:NL:RVS:2022:29
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inbewaringstelling vreemdeling zonder voorafgaand terugkeerbesluit
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 28 september 2018 in bewaring met het oog op zijn gedwongen vertrek naar Bulgarije. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze maatregel, maar de rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond en wees ook het verzoek om schadevergoeding af.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure werd de behandeling geschorst in afwachting van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van de Terugkeerrichtlijn. Na het arrest van het Hof op 24 februari 2021, waarin werd bevestigd dat de richtlijn niet van toepassing is op de inbewaringstelling, werd de zaak hervat.
De Afdeling oordeelde dat de maatregel van bewaring niet binnen de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn valt en dat artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een rechtsgeldige grondslag biedt voor de inbewaringstelling zonder voorafgaand terugkeerbesluit. De klacht van de vreemdeling faalde, het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de rechtmatigheid van de inbewaringstelling zonder voorafgaand terugkeerbesluit.