ECLI:NL:RVS:2019:3053
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over inbewaringstelling vreemdelingen met internationale bescherming in andere lidstaat
In drie zaken heeft de staatssecretaris vreemdelingen die internationale bescherming genieten in andere EU-lidstaten in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 om hun vertrek naar die lidstaten te waarborgen. De vreemdelingen hadden niet voldaan aan de opdracht om onmiddellijk te vertrekken en er was geen terugkeerbesluit genomen.
De rechtbanken oordeelden verschillend over de rechtmatigheid van de inbewaringstelling zonder terugkeerbesluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt daarom prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU over de uitleg en toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn (2008/115/EG), met name de artikelen 3, 4, 6 en 15.
De kernvraag is of de richtlijn zich verzet tegen inbewaringstelling zonder terugkeerbesluit wanneer het vertrek naar een andere lidstaat wordt beoogd, terwijl de vreemdeling internationale bescherming geniet in die lidstaat. De Afdeling benadrukt het belang van een doeltreffend verwijderingsbeleid, maar erkent dat het verbod van refoulement het nemen van een terugkeerbesluit kan belemmeren.
De Afdeling houdt de behandeling van de hoger beroepen aan totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan over deze prejudiciële vraag.
Uitkomst: De behandeling van de hoger beroepen wordt geschorst in afwachting van prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie.