ECLI:NL:RVS:2022:2924
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering omgevingsvergunning voor wonen in eerste bouwlaag pand Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam weigerde op 7 juni 2019 een omgevingsvergunning aan appellant voor het wijzigen van het gebruik van de eerste bouwlaag van zijn pand van winkel/bedrijfsruimte naar wonen. Appellant maakte bezwaar en stelde het college in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond en wees het verzoek om een dwangsom af. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij voerde aan dat het college onvoldoende had onderbouwd dat de functiewijziging in strijd was met de Structuurvisie Amsterdam 2040 en het Coalitieakkoord, en dat ten onrechte geen dwangsommen waren toegekend. De Afdeling oordeelde dat het college onvoldoende had aangetoond dat er in het specifieke gebied behoefte was aan behoud van bedrijfsruimte en dat het college onvoldoende rekening had gehouden met de individuele belangen van appellant.
Verder stelde de Afdeling vast dat appellant het college niet onredelijk laat in gebreke had gesteld, waardoor het college een maximale dwangsom van € 1.442,00 verschuldigd is wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college en bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van het college vernietigd en een dwangsom van € 1.442,00 toegekend.