ECLI:NL:RVS:2022:2994
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 17 juli 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 juli 2021 het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen gronden bevatte die aanleiding geven tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de vreemdeling onvoldoende had onderbouwd dat de staatssecretaris haar verklaringen door een cultuurverschil verkeerd had geïnterpreteerd. Ook was de leeftijd van de vreemdeling ten tijde van de gebeurtenissen voldoende betrokken in de besluitvorming.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde hiermee het eerdere oordeel zonder nadere motivering.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel bevestigd.