ECLI:NL:RVS:2022:3108
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 23 maart 2018 een aanvraag af voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor drie vreemdelingen. Na een bezwaarprocedure bleef de afwijzing gehandhaafd. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank, die het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
De staatssecretaris en de vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep van de staatssecretaris geen nieuwe rechtsvragen bevatte die beantwoording behoefden en dat de staatssecretaris ten onrechte niet had beoordeeld of de vreemdelingen het voordeel van de twijfel verdienen op basis van het bewijs en omstandigheden.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten. Tevens werd een griffierecht opgelegd. De staatssecretaris wordt vrijgelaten om een nieuw besluit te nemen, waarbij onder meer DNA-onderzoek aan de vreemdelingen moet worden aangeboden.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep van de staatssecretaris en het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard.