ECLI:NL:RVS:2022:3139
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- H.C.P. Venema
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit korpschef over gedeeltelijke afwijzing inzage politiegegevens appellant en zoon
Appellant verzocht de korpschef om inzage in politiegegevens die op hem en zijn minderjarige zoon betrekking hebben. De korpschef gaf gedeeltelijk gehoor aan dit verzoek en weigerde inzage in een deel van de gegevens op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet politiegegevens (Wpg), ter bescherming van rechten en vrijheden van derden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond en nam kennis van de niet verstrekte gegevens.
Appellant stelde in hoger beroep dat de korpschef ten onrechte geen belangenafweging had gemaakt bij de weigering en dat de rechtbank dit gebrek ten onrechte had gepasseerd. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de korpschef inderdaad een belangenafweging had moeten maken en dat het ontbreken daarvan een gebrek was dat niet met artikel 6:22 Awb Pro mocht worden gepasseerd. Daarom vernietigde de Afdeling het besluit van 3 januari 2020 en de uitspraak van de rechtbank.
Na aanvullende motivering door de korpschef en kennisneming van geheime stukken oordeelde de Afdeling dat het belang van bescherming van rechten en vrijheden van derden zwaarder woog dan het belang van appellant op inzage. De nadelige gevolgen voor appellant waren niet onevenredig. De rechtsgevolgen van het besluit bleven daarom in stand. De korpschef werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij het weigeren van inzage in politiegegevens en bevestigt dat het recht op inzage geen absoluut recht is, maar kan worden beperkt ter bescherming van derden.
Uitkomst: Het besluit van de korpschef wordt vernietigd wegens het ontbreken van een belangenafweging, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.