ECLI:NL:RVS:2022:3141
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- H.C.P. Venema
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit korpschef inzake gedeeltelijke weigering inzage politiegegevens
Appellante verzocht de korpschef om inzage in politiegegevens die op haar en haar minderjarige zoon betrekking hebben. De korpschef stemde gedeeltelijk toe maar weigerde inzage in bepaalde gegevens op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet politiegegevens (Wpg), ter bescherming van rechten en vrijheden van derden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij toepassing gaf aan artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om zelf kennis te nemen van de geweigerde gegevens.
Appellante stelde in hoger beroep dat de korpschef ten onrechte geen belangenafweging had gemaakt bij de weigering en dat het besluit onevenredig was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het gebrek aan belangenafweging had gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro. De Afdeling vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep gegrond. Na nadere motivering van de korpschef en kennisneming van geheime stukken concludeerde de Afdeling dat het belang van de rechten en vrijheden van derden zwaarder weegt dan het belang van appellante op inzage.
De Afdeling bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit van 3 januari 2020 in stand blijven, omdat de nadelige gevolgen voor appellante niet onevenredig zijn. Tevens werd de korpschef veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij weigering van inzage in politiegegevens en benadrukt de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden.
Uitkomst: Het besluit van de korpschef van 3 januari 2020 wordt vernietigd wegens ontbreken van belangenafweging, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.