ECLI:NL:RVS:2022:3195

Raad van State

Datum uitspraak
9 november 2022
Publicatiedatum
8 november 2022
Zaaknummer
202205584/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende aannemelijkheid reëel risico vervolging

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 17 augustus 2022 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 15 september 2022 het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het hogerberoepschrift bevat geen vragen die van belang zijn voor de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris niet ten onrechte heeft aangenomen dat de vreemdeling bij terugkeer naar Colombia geen concreet en reëel risico loopt op vervolging vanwege de activiteiten van zijn moeder.

Hoewel de organisatie waarbij de moeder van de vreemdeling actief is bedreigingen heeft ontvangen gericht aan leden en hun families, is dit onvoldoende concreet om aan te nemen dat de vreemdeling zelf een reëel risico loopt. Het is aan de vreemdeling om dit aannemelijk te maken, hetgeen niet is gebeurd. De Raad van State bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.

Uitspraak

202205584/1/V3.
Datum uitspraak: 9 november 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling] ,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 september 2022 in zaak nr. NL22.16589 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 17 augustus 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 15 september 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    De rechtbank is namelijk terecht tot de slotsom gekomen dat de staatssecretaris het niet ten onrechte onaannemelijk heeft geacht dat de vreemdeling bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op vervolging vanwege de activiteiten van zijn moeder. De organisatie waarbij zijn moeder actief is, heeft weliswaar bedreigingen ontvangen gericht aan de leden en hun families in het algemeen, maar hieruit valt nog onvoldoende concreet af te leiden dat de vreemdeling dit risico loopt. Het is in de eerste plaats aan de vreemdeling om dit aannemelijk te maken.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
47-967