ECLI:NL:RVS:2022:3411
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering ontheffing Omgevingsverordening NH2020 voor woningbouw in MRA-landelijk gebied te Aalsmeer
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland weigerde op 13 oktober 2021 een ontheffing te verlenen aan het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer voor het bouwen van twee woningen op een perceel in het MRA-landelijk gebied, omdat niet aan de voorwaarden van de Omgevingsverordening NH2020 was voldaan en er geen bijzondere omstandigheden waren.
Appellanten stelden dat zij geen gelegenheid hadden gekregen hun zienswijze te geven, wat een schending van artikel 4:8 Awb Pro zou zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak erkende dit gebrek, maar oordeelde dat appellanten daardoor niet zijn benadeeld, zodat het besluit in stand kon blijven op grond van artikel 6:22 Awb Pro.
Verder voerden appellanten aan dat bijzondere omstandigheden aanwezig waren die een ontheffing rechtvaardigen, zoals de feitelijke situatie ter plaatse, een eerdere anterieure overeenkomst, verbetering van ruimtelijke kwaliteit en het woningtekort. De Afdeling oordeelde echter dat deze omstandigheden niet zodanig bijzonder waren dat zij het gemeentelijk ruimtelijk beleid onevenredig belemmeren en dat de situaties van andere percelen niet vergelijkbaar waren.
De Afdeling concludeerde dat het college van gedeputeerde staten terecht de ontheffing had geweigerd en verklaarde het beroep ongegrond. Wel werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht vanwege de procedurefout.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van ontheffing voor woningbouw in het MRA-landelijk gebied is ongegrond verklaard, maar het college van gedeputeerde staten moet proceskosten en griffierecht vergoeden.