ECLI:NL:RVS:2022:3425
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd door staatssecretaris
De vreemdeling heeft bij besluit van 15 januari 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Tegen dit besluit maakte de vreemdeling bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard op 22 oktober 2021. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, die op 3 oktober 2022 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen gronden bevatte die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De motivering van de rechtbank werd overgenomen, waarin werd vastgesteld dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro niet onterecht in het nadeel van de vreemdeling was uitgevallen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en de staatssecretaris werd niet veroordeeld tot het vergoeden van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.