ECLI:NL:RVS:2022:3440

Raad van State

Datum uitspraak
24 november 2022
Publicatiedatum
24 november 2022
Zaaknummer
202206105/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen buiten behandeling stelling asielaanvragen en inreisverbod

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde bij besluiten van 13 en 15 september 2022 de asielaanvragen van twee vreemdelingen buiten behandeling en legde hen een inreisverbod op. De vreemdelingen maakten hiertegen bezwaar en startten een procedure bij de rechtbank Den Haag, die hun beroepen op 11 oktober 2022 niet-ontvankelijk verklaarde.

De vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep richtte zich op de vraag of het beroep ontvankelijk was, mede gelet op eerdere jurisprudentie over het ontbreken van procesbelang wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken.

De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevatte die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moesten worden. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en uitspraak rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202206105/1/V1.
Datum uitspraak: 24 november 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 oktober 2022 in zaken nrs. NL22.18648 en NL22.18649 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 13 en 15 september 2022 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld en tegen hen een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij mondelinge uitspraak van 11 oktober 2022 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat te Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraken van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579, onder 2, en 15 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1612, onder 5.1, over het ontbreken van procesbelang als een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2022
941