ECLI:NL:RVS:2013:1612

Raad van State

Datum uitspraak
15 oktober 2013
Publicatiedatum
23 oktober 2013
Zaaknummer
201208477/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen inreisverbod na vrijwillig vertrek

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen en waarbij tevens een inreisverbod werd opgelegd. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen het inreisverbod gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in.

Na het uitvaardigen van een nieuw inreisverbod door de staatssecretaris, vertrok de vreemdeling vrijwillig naar zijn land van herkomst, Irak, met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie. Hierdoor stelde de vreemdeling kennelijk geen prijs meer op de bescherming in Nederland en had hij geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk was. Tevens werd vastgesteld dat het hoger beroep tegen het inreisverbod van 27 december 2012 niet-ontvankelijk was. Er bestond geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen het inreisverbod is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtens te beschermen belang.

Uitspraak

201208477/1/V2.
Datum uitspraak: 15 oktober 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 14 augustus 2012 in zaken nrs. 12/22495 en 12/22496 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).
Procesverloop
Bij besluit van 12 juli 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 14 augustus 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover dat het inreisverbod betreft, het besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat de minister in zoverre een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, en heeft hij het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Bij besluit van 27 december 2012 heeft de staatssecretaris opnieuw een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd.
Daartegen heeft de vreemdeling beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft de vreemdeling zich nader uitgelaten.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.
2. Uit de door de staatssecretaris overgelegde, door de vreemdeling ondertekende vertrekverklaring blijkt dat hij op 11 februari 2013 met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie vanuit Nederland is vertrokken naar zijn land van herkomst, Irak. Nu de vreemdeling vrijwillig is vertrokken naar zijn land van herkomst, stelt hij kennelijk geen prijs meer op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. Aldus heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde hoger beroep.
3. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2012 in zaak nr. 201203301/1/V3 volgt dat in die gevallen waarin de staatssecretaris een inreisverbod uitvaardigt gedurende het aanhangig zijn van (hoger) beroep tegen een besluit betreffende een verblijfsvergunning, het (hoger) beroep daartegen ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb (gelezen in samenhang met artikel 6:24 van Pro die wet) moet worden geacht mede een beroep tegen het inreisverbod te omvatten.
5. Bij brieven van 24 september 2013 en 4 oktober 2013 heeft de gemachtigde van de vreemdeling desgevraagd verklaard dat hij geen contact meer heeft met de vreemdeling.
5.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 7 januari 2013 in zaak nr. 201112953/1/V3 overweegt de Afdeling dat de vreemdeling kennelijk geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van de door hem tegen het inreisverbod van 27 december 2012 ingestelde rechtsmiddelen, nu hij na zijn uitzetting uit Nederland geen contact met zijn gemachtigde heeft onderhouden. Reeds hierom heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep.
6. Het beroep van de vreemdeling, gericht tegen het inreisverbod van 27 december 2012, is kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep tegen het inreisverbod van 27 december 2012 niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, ambtenaar van staat.
w.g. Borman w.g. Bossmann
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2013
43-657