ECLI:NL:RVS:2022:3498
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging kosten bestuursdwang wegens verkeerd aanbieden huishoudelijk afval
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 6 februari 2021 een besluit genomen om spoedeisende bestuursdwang toe te passen door het verwijderen van een doos die verkeerd was aangeboden naast een aangewezen inzamelvoorziening. De kosten van deze bestuursdwang, €126,00, werden aan appellant opgelegd. Appellant betwistte niet dat hij de doos naast de inzamelvoorziening plaatste, maar stelde dat de container vol was en onvoldoende werd geleegd.
Het college verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en het beroep werd ingesteld. De Raad van State oordeelde dat het beroep ontvankelijk was, omdat het besluit niet correct per e-mail was bekendgemaakt, waardoor de beroepstermijn niet was gestart. De Raad beoordeelde vervolgens het beroep inhoudelijk.
Appellant voerde aan dat hij vanwege zijn speciale status als kind van een medewerker van het Europees Ruimte Agentschap immuniteit genoot. De Raad concludeerde dat deze immuniteit niet van toepassing was op het verkeerd aanbieden van huisvuil uit de privésfeer, zodat het college de kosten terecht aan appellant mocht verhalen.
Verder stelde appellant dat de volle container hem ontsloeg van zijn verplichting tot correct aanbieden. De Raad verwierp dit, omdat het verkeerd aanbieden van afval de kosten voor bestuursdwang rechtvaardigt, ongeacht de frequentie van lediging van de containers.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot kostenverhaal voor spoedeisende bestuursdwang wordt ongegrond verklaard.