ECLI:NL:RVS:2022:350
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende onderzoek risico's terugkeer Iran
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 9 april 2021 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 7 juni 2021 ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep stelde de Afdeling vast dat de vreemdeling nog steeds belang heeft bij de procedure, ondanks de bewering van de staatssecretaris dat zij met onbekende bestemming was vertrokken. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek en beoordeling had verricht naar de risico's die afvalligen en atheïsten lopen bij terugkeer naar Iran, zoals vereist volgens eerdere jurisprudentie.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 9 april 2021, en bepaalde dat de staatssecretaris opnieuw op de aanvraag moet beslissen met inachtneming van de actuele feiten en omstandigheden. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.