ECLI:NL:RVS:2022:3553
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzoek machtiging voorlopig verblijf afgewezen na hoger beroep vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 2 oktober 2020 het verzoek van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het besluit vernietigde, nam de staatssecretaris op 20 januari 2022 een nieuw besluit tot afwijzing van het bezwaar.
De vreemdelingen gingen hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hadden gemaakt dat hun stiefopa in Iran niet voor hen kon zorgen. Het hoger beroep bevatte geen vragen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep ongegrond en verwees het beroep tegen het besluit van 20 januari 2022 terug naar de rechtbank Den Haag voor verdere behandeling. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdelingen is ongegrond verklaard en het beroep is verwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.