ECLI:NL:RBDHA:2025:3049

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2025
Publicatiedatum
28 februari 2025
Zaaknummer
NL24.27284
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.28 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 4:84 AwbArt. 6 EVRMArt. 7:12 AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning machtiging tot voorlopig verblijf aan tweelingzusjes pleegkinderen na onvoldoende belangenafweging

Eiseressen, tweelingzusjes met de Iraanse nationaliteit, vroegen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland bij hun tante en pleegmoeder, die de Nederlandse nationaliteit heeft. De aanvragen werden door verweerder meerdere malen afgewezen, waarbij verweerder stelde dat er in Iran familieleden zijn die voor hen kunnen zorgen en dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het belang van eiseressen om in Nederland te verblijven.

De rechtbank oordeelde in eerdere uitspraken dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de biologische moeder en andere familieleden niet voor eiseressen kunnen zorgen en dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro niet zorgvuldig was uitgevoerd. Verweerder hield echter vast aan zijn standpunt en weigerde alsnog de mvv te verlenen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder ten onrechte een te hoge eis stelt aan de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden en onvoldoende rekening houdt met de hechte banden tussen eiseressen en referente, de situatie in Turkije en de belangen van de minderjarige kinderen. Tevens is de redelijke termijn overschreden, waarvoor schadevergoeding wordt toegekend.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en beveelt verweerder om de mvv’s aan eiseressen te verlenen. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit en beveelt verlening van de machtiging tot voorlopig verblijf aan de tweelingzusjes.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27284

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres 1] , eiseres 1, V-nummer: [V-nummer 1]

[eiseres 2], eiseres 2, V-nummer: [V-nummer 2]
hierna gezamenlijk te noemen: eiseressen
(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Inleiding

In het besluit van 12 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen tegen de afwijzing van hun aanvragen om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- en gezinslid voor de derde keer ongegrond verklaard.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2025 op een zitting behandeld. Eiseressen en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
1. Eiseressen zijn geboren op [datum] 2011 en hebben de Iraanse nationaliteit. Zij zijn tweelingzussen van elkaar. Zij willen in Nederland verblijven bij hun tante en pleegmoeder [referente] (referente). Zij is in 2002 vanuit Iran naar Nederland gekomen en heeft inmiddels de Nederlandse nationaliteit.
2. De vader van eiseressen, de broer van referente, is in 2011 overleden aan een hart- en vaatziekte. De moeder van eiseressen was op dat moment zes maanden zwanger van eiseressen. Zij was niet in staat om eiseressen alleen op te voeden. Daarom heeft zij al vóór de geboorte afstand van hen gedaan. De voogdij over eiseressen is naar hun oma, de moeder van referente, gegaan. De oma van eiseressen heeft in 2003 borstkanker gekregen en op enig moment ook uitzaaiingen. In 2019 is zij aan kanker overleden. Referente heeft toen de voogdij over eiseressen verkregen en is met hen in Turkije gaan wonen. Sindsdien probeert referente zo goed mogelijk haar aandacht te verdelen tussen eiseressen in Turkije enerzijds, en haar man en dochter, die momenteel dertien jaar oud is, in Nederland anderzijds.
3. Op 29 februari 2020 heeft referente ten behoeve van de overkomst naar Nederland van eiseressen bij verweerder aanvragen ingediend om verlening van een mvv als familie- en gezinslid. Een mvv is een soort inreisvisum dat na aankomst in Nederland wordt omgezet in een verblijfsvergunning. In het besluit van 2 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. In dit besluit staat dat eiseressen niet hebben aangetoond dat er in Iran geen naaste familieleden zijn die voor hen kunnen zorgen, en dat zij geen informatie hebben verschaft over hoe hecht de band met referente is.
4. Eiseressen hebben bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In het besluit van 18 maart 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiseressen kennelijk ongegrond verklaard. Dit betekent dat verweerder eiseressen niet heeft gehoord over hun bezwaar. In de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 augustus 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:9733, is het besluit van 18 maart 2021 vernietigd en is verweerder opgedragen om opnieuw op het bezwaar van eiseressen te beslissen. In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiseressen niet of bezwaarlijk in Iran kunnen worden verzorgd door [de stiefopa] . Dat is hun stiefopa waarmee hun oma in 1998 is getrouwd en bij wie zij sinds hun geboorte en tot 2019 hebben gewoond. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het standpunt van verweerder dat ook een tante van eiseressen genaamd [de tante] voor hen zou kunnen zorgen geen stand kan houden. Ook het standpunt dat de biologische moeder van eiseressen alsnog voor hen zou kunnen gaan zorgen, kan volgens de rechtbank geen stand houden. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom er tussen eiseressen en referente geen hechte en persoonlijke banden zouden zijn, aangezien verweerder verschillende aangevoerde omstandigheden niet in de beoordeling heeft betrokken. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder eiseressen ten onrechte niet heeft gehoord over hun bezwaar. Deze uitspraak van de rechtbank is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraak van 5 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3553.
5. Op 14 december 2021 heeft verweerder eiseressen alsnog gehoord over hun bezwaar. Ook hebben eiseressen nog aanvullende stukken overgelegd. In het besluit van 20 januari 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiseressen opnieuw ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich niet langer op het standpunt dat de tante genaamd [de tante] voor eiseressen zou kunnen zorgen. Wel vindt verweerder nog steeds dat niet is gebleken dat [de stiefopa] niet voor eiseressen zou kunnen zorgen. Eiseressen hebben aangevoerd dat hij niet bereid is om voor hen te zorgen, dat hij drugsverslaafd is, dat hij moeilijk te bereiken is en dat hij geen bloedband met hen heeft en hen zou kunnen dwingen om met hem te trouwen. Dit betekent volgens verweerder echter niet dat hij niet in staat is om voor eiseressen te zorgen. Ook houdt verweerder vol dat niet is gebleken dat de biologische moeder van eiseressen niet voor hen kan zorgen. Daarnaast is volgens verweerder niet gebleken dat er geen andere ooms en tantes zijn in Iran die voor eiseressen zouden kunnen zorgen. Volgens verweerder zijn er in dit kader geen bijzondere omstandigheden waardoor er van de beleidsregels zou moeten worden afgeweken. Ten aanzien van de banden tussen eiseressen en referente neemt verweerder alsnog aan dat deze hecht zijn, en dat sprake is van gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens verweerder weegt het belang van de Nederlandse overheid echter zwaarder dan het belang van eiseressen om in Nederland bij referente te verblijven.
6. In de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 21 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:18262, is het besluit van 20 januari 2022 vernietigd en is verweerder opgedragen om opnieuw op het bezwaar van eiseressen te beslissen. In deze uitspraak heeft de rechtbank opnieuw geoordeeld dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken dat [de stiefopa] niet in staat is om voor eiseressen te zorgen. De rechtbank heeft echter ook geoordeeld, onder verwijzing naar de eerdere uitspraak van 27 augustus 2021, dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat niet is gebleken dat de moeder van eiseressen niet voor hen kan zorgen. Wel heeft verweerder kunnen overwegen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van het beleid. Als laatste is de rechtbank van oordeel dat er geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. Volgens de rechtbank heeft verweerder daarbij namelijk onvoldoende kenbaar rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden waarin eiseressen en referente zich bevinden in Turkije. Verweerder heeft ook onvoldoende in de belangenafweging betrokken dat referente de Nederlandse nationaliteit heeft en een in Nederland wonende echtgenoot en minderjarige dochter heeft. Volgens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) behoort er in de belangenafweging een aanzienlijk gewicht te worden toegekend aan de belangen van de minderjarige eiseressen en van de minderjarige dochter van referente, aldus de rechtbank. Omdat verweerder enerzijds aanneemt dat het gezinsleven niet in Iran en bezwaarlijk in Turkije kan worden uitgeoefend, maar anderzijds ook geen mvv’s verleent, zou referente nooit een compleet gezinsleven met haar gezin en met eiseressen kunnen uitoefenen. Ook dit heeft verweerder volgens de rechtbank onvoldoende in de belangenafweging betrokken.
7. Naar aanleiding van de tweede rechtbankuitspraak heeft verweerder referente uitgenodigd om het bezwaar nogmaals op een hoorzitting toe te lichten. Referente heeft meegedeeld dat het voor haar niet mogelijk was om op een hoorzitting aanwezig te zijn. Vervolgens heeft verweerder op 7 maart 2024 diverse schriftelijke vragen aan referente voorgelegd. Deze heeft referente op 25 maart 2024 beantwoord. Daarbij zijn door referente nog diverse aanvullende stukken overgelegd.
Standpunten
8. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseressen voor de derde keer ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich niet langer op het standpunt dat de biologische moeder van eiseressen alsnog voor hen zou kunnen zorgen. Wel houdt verweerder vol dat niet is gebleken dat [de stiefopa] , en dat diverse overige familieleden, niet in staat zijn om voor eiseressen te zorgen. Daarnaast houdt verweerder vol dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot afwijking van het beleid. Verder neemt verweerder opnieuw aan dat er sprake is van een hechte band tussen referente en eiseressen en dat sprake is van gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, maar vindt verweerder opnieuw dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het belang van eiseressen om in Nederland bij referente te verblijven.
9. Eiseressen zijn het niet eens met het bestreden besluit. Zij voeren aan dat zij wel degelijk bewijs hebben overgelegd dat hun stiefopa niet in staat is om voor hen te zorgen. Daarnaast is het gelet op het beleid niet logisch dat verweerder verwacht dat familieleden van verdere graden voor eiseressen zorgen. Referente zorgt nu in Turkije voor eiseressen, maar het is voor haar niet mogelijk om langdurig rechtmatig in Turkije te verblijven omdat zij daar geen aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning voor langere duur. Daarnaast gaat het bestreden besluit volgens eiseressen voorbij aan de belangen van het kind. De stiefopa wil namelijk niets met hen te maken hebben en zal dus niet goed voor hen zorgen. Daarnaast kunnen eiseressen in Turkije hun Christelijke geloof niet openlijk belijden. Ondertussen is het gezinsleven met referente sterk gegroeid. Zij brengt grote offers ten opzichte van haar gezin in Nederland om in Turkije voor eiseressen te zorgen. Eiseressen vragen de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien en om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen. Hierbij verwijzen zij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats in een andere zaak waarin dat ook is gedaan, de uitspraak van 15 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13175.
10. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is. Verweerder vindt dat hij zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er in Iran familieleden zijn die voor eiseressen kunnen zorgen, en dit is ook al twee keer door de rechtbank bevestigd. Ten aanzien van het gezinsleven tussen eiseressen en referente is een juiste belangenafweging gemaakt. Hierbij is invulling gegeven aan de opdracht van de rechtbank om nader in te gaan op de situatie van eiseressen en referente in Turkije. Het is echter een keuze van referente geweest om gezinsleven met eiseressen te gaan opbouwen in Turkije terwijl het onzeker was of aan eiseressen verblijf in Nederland zou worden toegestaan. Dit betekent niet dat de Nederlandse autoriteiten nu alsnog aan eiseressen een verblijfsrecht in Nederland zouden moeten toekennen. Dat het niet mogelijk is voor referente om in Turkije een langer verblijfsrecht te krijgen, en dat het belijden van het Christelijke geloof in Turkije tot problemen leidt, is niet onderbouwd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Aanvaardbare toekomst in het land van herkomst
11. Op grond van artikel 3.28, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als familie- of gezinslid worden verleend aan de minderjarige vreemdeling die als pleegkind in Nederland wil verblijven in het gezin van één of meer Nederlanders, en die naar het oordeel van verweerder in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst heeft.
12. Volgens onderdeel B7/3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), het beleid van verweerder bij dit artikel, is geen sprake van een aanvaardbare toekomst als sprake is van zodanige omstandigheden dat het kind niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. Onder naaste bloed- of aanverwanten wordt verstaan: de ouders, grootouders, broers of zusters van het buitenlandse pleegkind, of de broers of zusters van de ouders van het buitenlandse pleegkind (ooms en tantes van het buitenlandse pleegkind).
13. Gelet op de eerdere uitspraken van de rechtbank in deze zaak van 27 augustus 2021 en 21 november 2023 staat in rechte vast dat niet is gebleken dat [de stiefopa] , de stiefopa van eiseressen, niet in Iran voor eiseressen zou kunnen zorgen. Wat eiseressen nu op dit punt aanvoeren, is ook al in deze eerdere rechtbankuitspraken besproken. De door eiseressen aangehaalde notarieel opgestelde verklaring van deze stiefopa, waaruit blijkt dat hij niet bereid is om voor eiseressen te zorgen, is door de rechtbank in de beoordeling betrokken in de uitspraak van 21 november 2023. Eiseressen hebben geen nieuwe feiten en omstandigheden of nieuwe bewijsstukken naar voren gebracht. De rechtbank ziet daarom nu geen ruimte om anders te oordelen dan eerder in de uitspraken van 27 augustus 2021 en 21 november 2023 is gedaan. Daarnaast kunnen eiseressen niet worden gevolgd in hun stelling dat verweerder ten onrechte aan hen tegenwerpt dat niet is gebleken dat familieleden van verdere graden niet in Iran voor hen zouden kunnen zorgen. Verweerder heeft zich daarbij namelijk beperkt tot de familieleden die onder de omschrijving van onderdeel B7/3.7.1 van de Vc vallen.
14. Op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verweerder de bevoegdheid om van de beleidsregel in onderdeel B7/3.7.1 van de Vc af te wijken. Het staat echter gelet op de rechtbankuitspraak van 21 november 2023 in rechte vast dat verweerder daarvoor in dit geval geen aanleiding heeft hoeven zien. Ook op dit punt hebben eiseressen niets nieuws aangevoerd, zodat de rechtbank nu tot een gelijkluidend oordeel komt. De enkele omstandigheid dat er sinds de vorige rechtbankuitspraak sprake is van tijdsverloop, is onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.
15. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseressen geen recht hebben op een mvv omdat er voor hen geen aanvaardbare toekomst is in het land van herkomst.
Gezinsleven
16. In artikel 8 van Pro het EVRM staat dat iedereen recht heeft op bescherming van zijn gezinsleven. Het is in deze zaak geen geschilpunt meer dat er tussen eiseressen en referente gezinsleven aanwezig is. Dit betekent echter niet zonder meer dat eiseressen een verblijfsvergunning in Nederland moeten krijgen. Dat is pas het geval als de belangen van eiseressen zwaarder wegen dan het algemene belang van Nederland. Verweerder moet een evenwichtige afweging maken van deze belangen, waarbij hij alle relevante aspecten moet meewegen. Daarbij heeft hij wel een beoordelingsmarge. Om die reden toetst de rechtbank de uitkomst van de belangenafweging enigszins terughoudend. Wel toetst de rechtbank zonder terughoudendheid of alle relevante aspecten zijn meegewogen.
17. Eiseressen en verweerder zijn het erover eens dat er sprake is van hechte, persoonlijke banden tussen eiseressen en referente, dat het niet mogelijk is om het gezinsleven in Iran uit te oefenen (objectieve belemmering) en dat het heel lastig zal zijn voor referente om het gezinsleven met eiseressen en haar eigen gezin in Turkije uit te oefenen (subjectieve belemmering). Toch acht verweerder dit alles niet doorslaggevend, omdat referente ervoor heeft gekozen om gezinsleven met eiseressen op te gaan bouwen terwijl het onzeker was of zij verblijf in Nederland zouden krijgen, omdat geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden en omdat het economische belang van Nederland zwaar weegt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee gelet op het navolgende opnieuw geen deugdelijke belangenafweging verricht.
18. Verweerder gaat er in het bestreden besluit vanuit dat sprake moet zijn van zeer bijzondere omstandigheden voordat de belangenafweging in het voordeel van eiseressen kan uitvallen, omdat het de eigen keuze van referente is geweest om gezinsleven met eiseressen op te gaan bouwen terwijl het nog niet zeker was dat zij verblijf in Nederland zouden krijgen. Verweerder onderbouwt echter niet waaruit blijkt dat het recht op gezinsleven op deze manier moet worden uitgelegd. In zoverre bevat het bestreden besluit al een gebrek.
19. Het is de rechtbank ambtshalve wel bekend dat er jurisprudentie is van het EHRM over situaties waarin de referent in strijd met het nationaal migratierecht van een lidstaat die lidstaat inreist, in die lidstaat tijdens illegaal verblijf gezinsleven opbouwt met een minderjarige en vervolgens geconfronteerd wordt met een verwijderingsmaatregel. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gewezen op het arrest van 31 januari 2006 in de zaak
Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland(ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599) en op het arrest van 28 juni 2011 in de zaak
Nunez tegen Noorwegen(ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD005559709). In deze arresten oordeelt het EHRM dat er zeer bijzondere omstandigheden nodig zijn, wil artikel 8 van Pro het EVRM zich verzetten tegen uitzetting. Voor zover verweerder zich beroept op deze jurisprudentie, miskent verweerder dat het feitencomplex in deze zaak geheel anders is. In deze zaak is immers geen sprake van het illegaal inreizen van Nederland om vervolgens in Nederland tijdens een illegaal verblijf gezinsleven op te bouwen. Anders dan in deze arresten, zijn de Nederlandse autoriteiten in deze zaak juist niet voor een voldongen feit gesteld doordat referente na het overlijden van de oma van eiseressen in Turkije voor hen is gaan zorgen. Hiermee heeft verweerder ten onrechte niet kenbaar rekening gehouden in de belangenafweging.
20. Dit klemt eens temeer aangezien de rechtbank in de uitspraak van 21 november 2023 nu juist heeft geoordeeld dat verweerder in het vernietigde besluit van 20 januari 2022 onvoldoende gewicht had toegekend aan de bijzondere omstandigheden waarin eiseressen en referente zich in Turkije bevinden. Ook heeft de rechtbank in die uitspraak geoordeeld dat verweerder onvoldoende in de belangenafweging had betrokken dat referente nooit een compleet gezinsleven zou kunnen uitoefenen als er een objectieve belemmering voor Iran en een subjectieve belemmering voor Turkije wordt aangenomen, en geen mvv’s voor Nederland worden verleend. Ondanks deze overweging van de rechtbank kiest verweerder in het bestreden besluit opnieuw voor deze constellatie, waarmee dus onvoldoende recht wordt gedaan aan dit oordeel van de rechtbank.
21. Nu verweerder gelet op het voorgaande ten onrechte verlangt dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, heeft geen evenwichtige belangenafweging plaatsgevonden. De intensiteit van de banden tussen eiseressen en referente is dusdoende immers minder snel doorslaggevend. Juist nu verweerder uitgaat van de aanwezigheid van gezinsleven tussen eiseressen en referente en het bestaan van hechte banden tussen eiseressen en referente, zou er veeleer sprake moeten zijn van bijzondere omstandigheden om in weerwil daarvan geen verblijfsrecht toe te kennen. Hierbij speelt ook een rol dat verweerder in het kader van de belangenafweging aan eiseressen tegenwerpt dat er in Iran familieleden aanwezig zijn die voor hen zouden kunnen zorgen. Ten eerste kan verweerder op dit onderdeel van de besluitvorming niet volstaan met de vaststelling dat niet door eiseressen is aangetoond dat zij niet of bezwaarlijk door naaste bloed- of aanverwanten kunnen worden verzorgd. Als verweerder dit in het kader van de artikel 8 EVRM Pro-belangenafweging wil tegenwerpen, zal hij ook zelf aannemelijk moeten maken dat er in Iran daadwerkelijk dergelijke familieleden zijn. Dat heeft hij echter niet gedaan. Ten tweede kan de aanwezigheid van verzorgende familieleden in Iran in deze belangenafweging geen rol spelen, aangezien verweerder heeft aangenomen dat er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Iran uit te oefenen. Naast het kiezen van een onjuist uitgangspunt, heeft verweerder dus ook de intensiteit van de banden tussen eiseressen en referente op zichzelf onjuist gewogen.
22. Hier komt nog bij dat referente sinds de vorige rechtbankuitspraak in Turkije voor eiseressen is blijven zorgen, zodat door tijdsverloop de intensiteit van de banden tussen eiseressen en referente verder is versterkt. Verweerder heeft aan dit tijdsverloop in het bestreden besluit ten onrechte geen enkel gewicht ten voordele van eiseressen toegekend. Hierbij heeft verweerder miskend dat het tijdsverloop, ook vóór de vorige rechtbankuitspraak, in grote mate is veroorzaakt door zijn eigen toedoen, namelijk door het nemen van besluiten op bezwaar waaraan diverse gebreken kleven. Dit mag niet ten nadele van eiseressen komen.
23. Ten slotte kunnen eiseressen worden gevolgd in hun stelling dat er in de belangenafweging te weinig gewicht is toegekend aan de belangen van het kind. Verweerder heeft zich namelijk beperkt tot de overweging dat het niet onmogelijk is voor de minderjarige Nederlandse dochter van referente om te verhuizen naar Turkije. De belangen van het kind brengen echter mee dat verweerder had moeten overwegen of en in hoeverre dit in het eerste belang van dit minderjarige kind zou zijn. Dit heeft verweerder nagalaten. Dit klemt eens temeer aangezien de rechtbank in de uitspraak van 21 november 2023 uitdrukkelijk heeft overwogen dat er een aanzienlijk gewicht moet worden toegekend aan de belangen van de minderjarige eiseressen en aan die van de minderjarige Nederlandse dochter van referente. Ook dit onderdeel van de rechtbankuitspraak van 21 november 2023 is dus door verweerder niet opgevolgd.
24. Hoewel het economische belang van Nederland en het belang van Nederland bij een restrictief toelatingsbeleid in algemene zin in het voordeel van verweerder kunnen wegen, is in het bestreden besluit mede gelet op wat hiervoor is overwogen niet deugdelijk gemotiveerd waarom deze belangen in het specifieke geval van eiseressen zwaarder zouden wegen dan het belang van eiseressen om het gezinsleven met referente, dat bestaat uit hechte en persoonlijke banden, in Nederland uit te oefenen.
Conclusie
25. Verweerder heeft de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM opnieuw niet deugdelijk verricht. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het motiveringsvereiste van artikel 7:12 van Pro de Awb. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.
26. Op grond van artikel 8:41a van de Awb moet de bestuursrechter geschillen zoveel mogelijk finaal beslechten. De rechtbank ziet in diverse omstandigheden aanleiding om in deze specifieke zaak met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Ten eerste is hierbij van belang dat het beroep voor de derde keer gegrond wordt verklaard op het punt van de artikel 8 EVRM Pro-belangenafweging, waarbij verweerder bovendien gelet op wat hiervoor is overwogen aan diverse overwegingen van de vorige uitspraak van de rechtbank van 21 november 2023 onvoldoende gevolg heeft gegeven. Hieruit kan niet anders worden afgeleid dan dat ernstig moet worden betwijfeld of verweerder alsnog een correct besluit zal nemen wanneer de rechtbank verweerder zou opdragen om opnieuw – voor de vierde keer – op het bezwaar van eiseressen te beslissen. Daarnaast acht de rechtbank de uitzonderlijk lange duur van deze procedure van belang, die gelet op het meermaals moeten vernietigen van eerdere besluiten voornamelijk aan verweerder te wijten is. Deze omstandigheden zijn ook volgens de rechtspraak van de Afdeling redengevend om zelf in de zaak te voorzien. Hierbij wijst de rechtbank bij wijze van voorbeeld op de uitspraak van 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2177. Ten slotte acht de rechtbank nadrukkelijk van belang dat eiseressen zich met referente in Turkije in een zeer moeilijke situatie bevinden, waarbij het voor referente niet goed mogelijk is om invulling te geven aan het gezinsleven met haar Nederlandse man en haar Nederlandse minderjarige dochter. Aan deze situatie van tweestrijd moet naar het oordeel van de rechtbank nu zo snel mogelijk een einde worden gemaakt. Gelet op al deze omstandigheden zal de rechtbank het primaire besluit herroepen en verweerder opdragen om mvv’s aan eiseressen te verlenen.
27. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseressen gemaakte proceskosten, en om te bepalen dat verweerder het door eiseressen betaalde griffierecht van € 187 moet vergoeden. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt vast. De rechtsbijstand door een gemachtigde levert in totaal 3 punten op. Aangezien het primaire besluit wordt herroepen: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 647. Er heeft ook een hoorzitting plaatsgevonden in bezwaar, maar daarop is geen gemachtigde verschenen. Daarnaast 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907. Dit wordt vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Toegekend wordt in totaal: € 2.461.
Het verzoek om schadevergoeding
28. In artikel 6 van Pro het EVRM is het recht op een eerlijk proces neergelegd. Dit brengt onder meer mee dat een bestuursrechtelijk geschil binnen een redelijke termijn moet zijn afgehandeld. Voor een procedure zoals deze, die bestaat uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, geldt als uitgangspunt een redelijke termijn van vier jaar. Die termijn bestaat uit de samengenomen termijnen van een half jaar voor de bezwaarfase, anderhalf jaar voor de beroepsfase en twee jaar voor het hoger beroep. De termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Als een zaak na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. Dit volgt uit de rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2791.
29. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 27 oktober 2020 en het bestreden besluit van 12 juni 2024 zit een periode van ruim drieënhalf jaar. In de tweede rechtbankprocedure is de redelijke termijn van anderhalf jaar overschreden met vier maanden. Daarom is voor deze periode de rechtbank (feitelijk: de Staat der Nederlanden, minister van Binnenlandse Zaken) een schadevergoeding aan eiseressen verschuldigd.
30. Ook in bezwaar is de redelijke termijn overschreden. Tussen het bezwaarschrift en het tweede besluit op bezwaar zit een periode van afgerond zestien maanden. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn van een half jaar met tien maanden. Daarnaast is na de tweede rechtbankuitspraak een periode van zes maanden verstreken voordat opnieuw op het bezwaar is beslist. Dat is een overschrijding van de redelijke termijn van een half jaar met één maand. Verweerder is dus voor een periode van in totaal elf maanden een schadevergoeding aan eiseressen verschuldigd.
31. Uitgaand van het schadebedrag van € 500 per half jaar, dat volgt uit de hiervoor aangehaalde rechtspraak van de Afdeling, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot betaling van € 916,66 aan schadevergoeding aan eiseressen, en de Staat der Nederlanden, minister van Binnenlandse Zaken, tot betaling van € 333,33 aan schadevergoeding aan eiseressen.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit;
 herroept het primaire besluit;
 draagt verweerder op om eiseressen in het bezit te stellen van een machtiging tot voorlopig verblijf met het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] ’;
 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
 veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.461 (vierentwintighonderdeenenzestig euro) aan proceskosten aan eiseressen;
 bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187 (honderdzevenentachtig euro) aan eiseressen moet vergoeden;
 veroordeelt verweerder tot het betalen van € 916,66 (negenhonderdzestien euro en zesenzestig cent) aan schadevergoeding aan eiseressen;
 veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken) tot het betalen van € 333,33 (driehonderd drieëndertig euro en drieëndertig cent) aan schadevergoeding aan eiseressen.
Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.