ECLI:NL:RVS:2022:3573
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitstel van vertrek wegens onvoldoende identiteitsbewijs en ontoegankelijkheid medische zorg
De vreemdeling verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij medische zorg nodig had die in het land van herkomst niet toegankelijk zou zijn. De staatssecretaris wees dit verzoek af, waarna de vreemdeling bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde de vreemdeling dat ondanks het ontbreken van originele identiteitsdocumenten, zijn nationaliteit en herkomst aannemelijk waren vanwege zijn dialect, en dat de staatssecretaris daardoor de ontoegankelijkheid van medische zorg had moeten beoordelen. De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling zijn identiteit onvoldoende aannemelijk had gemaakt met kopieën van documenten zonder identificerende kenmerken en geen verklaring had gegeven waarom officiële documenten ontbraken.
De Raad overwoog dat de beoordeling van de feitelijke toegankelijkheid van medische zorg afhankelijk is van individuele omstandigheden en dat dit niet onderzocht kan worden zonder vaststelling van de identiteit. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.