Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2022:3708

Raad van State

Datum uitspraak
15 december 2022
Publicatiedatum
14 december 2022
Zaaknummer
202102565/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMartikel 8:54 AwbGezinsherenigingsrichtlijnEU-Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende belangenafweging familieleven

Een Afghaanse vreemdeling, die in Griekenland internationale bescherming heeft gekregen, verzocht om een verblijfsvergunning in Nederland om familieleven voort te zetten met haar Nederlandse echtgenoot en kind. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf en stelde dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro juist was uitgevoerd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde anders. Zij stelde vast dat de rechtbank ten onrechte geen rekening hield met belangrijke stukken over de situatie van statushouders in Griekenland, waaronder een brief en een AIDA-rapport. Ook concludeerde de Afdeling dat de staatssecretaris onvoldoende heeft beoordeeld of het jonge Nederlandse kind een 'certain degree of hardship' zou ondervinden bij terugkeer naar Griekenland.

De Afdeling vernietigt daarom het besluit en de uitspraak van de rechtbank en beveelt de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen waarbij alle relevante feiten, waaronder de situatie in Griekenland en de belangen van het kind, zorgvuldig moeten worden meegewogen. Tevens moet de staatssecretaris de proceskosten vergoeden.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met een zorgvuldige belangenafweging.

Uitspraak

202102565/1/V1.
Datum uitspraak: 15 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 24 maart 2021 in zaak nr. 20/8987 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 14 februari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 23 november 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 maart 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.E.M. Jacquemard, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1.       De Griekse autoriteiten hebben de Afghaanse vreemdeling op 5 juni 2018 internationale bescherming verleend. Zij is in augustus 2019 naar Nederland gekomen en wil een verblijfsvergunning om familieleven voort te zetten met haar Nederlandse echtgenoot en Nederlandse kind. De staatssecretaris heeft de daarvoor ingediende aanvraag afgewezen, omdat de vreemdeling niet voldoet aan het vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf. Volgens hem komt de vreemdeling onder meer niet in aanmerking voor vrijstelling van dat vereiste op grond van artikel 8 van Pro het EVRM.
Deze uitspraak gaat over de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de staatssecretaris bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM alle belangrijke feiten en omstandigheden kenbaar en in samenhang bezien heeft betrokken en dat de staatssecretaris zich vervolgens niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het belang van de vreemdeling bij familieleven minder zwaar weegt dan het belang van de Nederlandse staat bij een beperkt toelatingsbeleid.
Informatie over de situatie voor statushouders in Griekenland
2.       In grief 1 klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een deel van de door haar in beroep overgelegde stukken. De vreemdeling verwijst in beroep naar een brief van de Afdeling van 6 juni 2021, in de zaak die uiteindelijk heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1626, en het daarin genoemde AIDA-rapport van 23 juni 2020. Anders dan de rechtbank heeft overwogen gaan die brief en dat rapport over de situatie voor statushouders in Griekenland voorafgaand aan het besluit op bezwaar van 23 november 2020. Daarom staat de zogeheten ex-tunctoets, in dit geval een toets waarbij de bestuursrechter uitgaat van de situatie zoals die was ten tijde van het besluit op bezwaar, er niet aan in de weg dat de door de vreemdeling in beroep overgelegde stukken worden betrokken in de besluitvorming als voortzetting van het door haar al in bezwaar gevoerde betoog over de situatie voor statushouders in Griekenland. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:379, onder 2.2 en 2.3. De rechtbank heeft niet onderkend dat die stukken van belang waren bij haar toets van de door de staatssecretaris gemaakte belangenafweging.
2.1.    Grief 1 slaagt.
‘Certain degree of hardship’ en de belangen van het kind
3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor de vreemdeling en haar kind geen objectieve en subjectieve belemmeringen bestaan om in Griekenland familieleven voort te zetten. Daarvoor heeft de rechtbank van belang geacht dat, als de vreemdeling ervoor kiest samen met het kind naar Griekenland te gaan en zij terecht zouden komen in een ‘certain degree of hardship’, dat niet doorslaggevend hoeft te zijn in de belangenafweging. De rechtbank heeft erop gewezen dat met het in rechte onaantastbare besluit in de eerder door de vreemdeling gevoerde asielprocedure vaststaat dat zij en het kind naar Griekenland kunnen terugkeren. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de staatssecretaris de belangen van het kind kenbaar in aanmerking heeft genomen. De staatssecretaris heeft er volgens de rechtbank terecht op gewezen dat het kind zo jong is dat hij geen banden heeft met Nederland, dat zijn Nederlandse nationaliteit er niet toe leidt dat hij zich alleen aan Nederland kan binden en dat de vreemdeling ervoor kan kiezen het kind bij referent in Nederland te laten.
4.       De vreemdeling richt grieven 2 en 3 tegen deze overwegingen van de rechtbank. Zij voert terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris niet heeft beoordeeld of het kind in Griekenland een ‘certain degree of hardship’ zal ervaren. De staatssecretaris heeft weliswaar terecht gewezen op de jonge leeftijd van het kind, voor zover hij zich op het standpunt heeft gesteld dat het kind geen banden heeft met Nederland en zich aan Griekenland kan binden, maar hij heeft niet beoordeeld wat het voor dit jonge Nederlandse kind betekent als hij met de vreemdeling, en met of zonder referent, meegaat naar Griekenland. Uit onder meer de arresten van het EHRM van 3 oktober 2014, Jeunesse, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, paragrafen 117, 118 en 120, en 28 juli 2020, Pormes, ECLI:CE:ECHR:2020:0728JUD002540214, paragraaf 56, volgt dat hij die beoordeling wel moet maken. De staatssecretaris heeft dat ook onderkend in de door de vreemdeling aangehaalde WI 2020/16, paragrafen 7.4, 8.2, tweede alinea, en 8.3. Alleen al gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris ten onrechte geen aanzienlijk gewicht toegekend aan de belangen van het kind. Vergelijk het arrest Jeunesse, paragraaf 109. Dat de staatssecretaris de belangen van het kind heeft betrokken blijkt ook niet uit zijn niet nader onderbouwde standpunt dat het kind er belang bij heeft om op te groeien met beide ouders en dat dit kan in Griekenland. Daarnaast wijst de vreemdeling er terecht op dat de door haar overgelegde informatie over de situatie voor statushouders in Griekenland van belang is voor het antwoord op de vraag of bij haar eigen terugkeer naar Griekenland of bij terugkeer naar Griekenland met alleen haar kind óf met haar kind én referent, een ‘certain degree of hardship’ ontstaat. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris die informatie niet concreet heeft betrokken bij zijn standpunten dat speculatief is of referent in Griekenland werk kan vinden, dat niet blijkt dat het onmogelijk is om het gezinsleven voort te zetten in Griekenland en dat de door de vreemdeling overgelegde informatie niet gaat over haar persoonlijk.
4.1.    Grieven 2 en 3 slagen.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder aanvoert te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 23 november 2020 wordt vernietigd. Dat betekent dat de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar moet nemen en daarbij moet motiveren of voortzetting van het familieleven van de vreemdeling in Griekenland een ‘certain degree of hardship’ met zich brengt en, zo ja, welk gewicht daaraan toekomt in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. Daarbij moet hij ook de door de vreemdeling overgelegde stukken over de situatie voor statushouders in Griekenland betrekken. Ten behoeve van het door de staatssecretaris te nemen besluit wijst de Afdeling er verder op dat de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EU Handvest van toepassing zijn. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 24 maart 2021 in zaak nr. 20/8987;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van 23 november 2020, V-[…];
V.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.
w.g. Verburg
voorzitter
w.g. Beerse
griffier
382-958