ECLI:NL:RVS:2022:375

Raad van State

Datum uitspraak
7 februari 2022
Publicatiedatum
8 februari 2022
Zaaknummer
202200478/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 15 november 2021 niet in behandeling is genomen. De rechtbank heeft het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit op 14 januari 2022 ongegrond verklaard. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat zij niet zou worden overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen zou ontvangen.

De voorzieningenrechter overwoog dat op basis van de aangevoerde gronden niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gezien de belangen van zowel de staatssecretaris als de vreemdeling zag de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek werd daarom afgewezen en de staatssecretaris werd niet verplicht proceskosten te vergoeden.

De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 7 februari 2022, waarbij mr. A.W.M. Bijloos de uitspraak deed en mr. S. Bechinka als griffier aanwezig was.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat niet aannemelijk is dat het hoger beroep zal slagen.

Uitspraak

202200478/2/V3.
Datum uitspraak: 7 februari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 januari 2022 in zaak nr. NL21.18259 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 15 november 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 14 januari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet wordt overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.       Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gelet op de belangen die staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Bechinka
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2022
47