ECLI:NL:RVS:2022:3759
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking Nederlanderschap en ongewenstverklaring wegens onvoldoende bewijs aansluiting terroristische organisatie
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok bij besluiten van 15 juni 2020 het Nederlanderschap van appellant in en verklaarde hem ongewenst op grond van zijn aansluiting bij een terroristische organisatie die deelneemt aan een internationaal gewapend conflict. Dit was gebaseerd op een individueel ambtsbericht waarin stond dat appellant vanaf 2013 in Syrië verbleef en deel uitmaakte van een kleinere jihadistische groepering gelieerd aan Hay’at Tahrir al-Sham (HTS).
De rechtbank Den Haag verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond, maar appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de stukken van de AIVD ingezien, waarbij de advocaat van appellant toestemming gaf voor beperkte kennisneming. De Afdeling oordeelde dat uit het ambtsbericht niet eenduidig volgt dat appellant zich heeft aangesloten bij een organisatie die op de ministeriële lijst staat, aangezien de kleinere groepering niet zelf op de lijst voorkomt en niet kan worden gelijkgesteld aan HTS of aan daaraan gelieerde organisaties.
Omdat de intrekking van het Nederlanderschap een ingrijpende maatregel is die duidelijke kenbaarheid vereist, oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris niet bevoegd was tot intrekking. Gevolg was dat ook de ongewenstverklaring niet in stand kan blijven. De besluiten werden vernietigd en de proceskosten aan de zijde van appellant werden toegewezen.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap en ongewenstverklaring van appellant worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs van aansluiting bij een op de lijst geplaatste terroristische organisatie.