ECLI:NL:RVS:2022:3787
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-inbehandelingname asielaanvraag wegens ontbreken onderduiken
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam een asielaanvraag van een vreemdeling niet in behandeling op grond van het vermoeden dat de vreemdeling ondergedoken was. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde en de staatssecretaris opdroeg de aanvraag alsnog in behandeling te nemen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Afdeling oordeelde dat de vreemdeling niet doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten was gebleven, hetgeen vereist is voor onderduiken volgens artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.
De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank, wees het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. De staatssecretaris moet de asielaanvraag in behandeling nemen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.