ECLI:NL:RVS:2022:3827
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd aan gemeenschapsonderdaan
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 15 april 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 9 december 2019 ongegrond werd verklaard. Na een aanvullend besluit op 14 december 2020 werd het beroep van de vreemdeling bij de rechtbank Den Haag op 8 juli 2021 eveneens ongegrond verklaard.
In hoger beroep bij de Raad van State diende de vreemdeling nieuwe stukken in om zijn familieband met zijn partner en dochters aan te tonen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat deze stukken, waaronder foto’s van een reis en een DNA-onderzoek, deels dateren van na de aangevallen uitspraak en deels feiten betreffen die reeds voor die uitspraak speelden, maar zonder gerechtvaardigde verklaring te laat zijn ingediend. Daarom werden deze stukken niet betrokken bij de beoordeling.
De Afdeling stelde vast dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de staatssecretaris werd niet verplicht proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.