AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling rechtsgeldigheid huwelijk en nareisverzoek vreemdeling afgewezen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 18 april 2017 het verzoek van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling, die een kerkelijk huwelijk had gesloten met een referent uit Eritrea, voerde aan dat het huwelijk rechtsgeldig was en dat er sprake was van een duurzame relatie. De rechtbank verklaarde het bezwaar van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het kerkelijk huwelijk niet rechtsgeldig was volgens het Eritrese internationaal privaatrecht, omdat de referent minderjarig was en het huwelijk niet door een bevoegde ambtenaar was gesloten. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat er geen duurzame en exclusieve relatie bestond. De staatssecretaris had terecht gewezen op het feit dat de vreemdeling en referent elkaar sinds het huwelijk nauwelijks hadden gezien.
Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover deze de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit bleven in stand. De Afdeling bevestigde daarmee de afwijzing van het nareisverzoek en wees verdere proceskostenvergoedingen af.
Uitkomst: De afwijzing van het nareisverzoek wordt bevestigd en het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard.
Uitspraak
202107014/1/V1.
Datum uitspraak: 21 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:
1. de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
2. [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’sHertogenbosch, van 4 oktober 2021 in zaak nr. 20/7206 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 4 september 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 oktober 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te Den Haag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Referent heeft nareis van haar gestelde partner, de vreemdeling, verzocht. Referent is geboren op 30 december 1991 en heeft de Eritrese nationaliteit. De vreemdeling heeft gesteld dat hij is geboren op 1 januari 1989 en ook de Eritrese nationaliteit bezit. De vreemdeling en referent hebben op 25 januari 2009 in Eritrea een kerkelijk huwelijk gesloten. In de maand na het huwelijk hebben zij samengewoond. Daarna hebben zij alleen telefonisch en via Facebook met elkaar contact onderhouden. Op 2 november 2015 heeft referent in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verkregen. Zij heeft op 23 december 2015 nareis verzocht van de vreemdeling.
1.1. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen, omdat de vreemdeling zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt en het huwelijk naar internationaal privaatrecht niet rechtsgeldig is, wegens de minderjarigheid van referent. Er is volgens de staatssecretaris ook geen sprake van een duurzame en exclusieve partnerschapsrelatie.
1.2. De rechtbank heeft het standpunt van de staatssecretaris, dat geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk, gevolgd. De rechtbank heeft het besluit van 4 september 2020 vernietigd, omdat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen nader onderzoek naar de identiteit van de vreemdeling heeft aangeboden, geen sprake is van een partnerschapsrelatie en de gezinsband, bij een aangenomen familieband, is verbroken.
Incidenteel hoger beroep
2. De vreemdeling klaagt in de tweede grief dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij een rechtsgeldig huwelijk heeft gesloten met referent. Hierbij verwijst de vreemdeling naar artikel 547, tweede lid, van de ‘Transitional Civil Code of Eritrea’ (hierna: TCCE) en een verklaring van de lokale overheid die het huwelijk bevestigt.
2.1. Uit artikel 522, eerste lid, van de TCCE volgt dat een minderjarige in Eritrea in beginsel geen rechtsgeldig huwelijk kan sluiten. In artikel 522 vanPro de TVVE worden in het tweede en derde lid weliswaar twee uitzonderingen genoemd, maar niet is gebleken dat deze uitzonderingen hier aan de orde zijn.
2.2. Artikel 547, eerste lid, van de TCCE gaat over de situatie dat een ‘civil status officer’ het huwelijk heeft gesloten. Het huwelijk kan dan op grond van het tweede lid van artikel 547 vanPro de TCCE worden ontbonden tot het ogenblik dat beide partners meerderjarig zijn geworden. De vreemdeling stelt dat het huwelijk met referent rechtsgeldig is, omdat het niet is ontbonden. Maar hij gaat eraan voorbij dat het huwelijk niet is gesloten door een ‘civil status officer’ als bedoeld in het eerste lid. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, onder 18, namelijk vastgesteld dat een kerkelijk huwelijk is gesloten. De kerkelijke autoriteiten zijn geen ‘civil status officer’, volgens artikel 43 vanPro de TCCE. Ook uit de bevestiging van de lokale overheid volgt niet dat een ‘civil status officer’ het huwelijk heeft gesloten. Het beroep op artikel 547, tweede lid, van de TCCE slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat tussen de vreemdeling en referent geen rechtsgeldig huwelijk bestaat. De grief slaagt niet.
3. Het incidenteel hoger beroep leidt ook voor het overige niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het incidenteel hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Hoger beroep
4. De staatssecretaris klaagt in de enige grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat tussen de vreemdeling en referent geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. De staatssecretaris stelt zich terecht op het standpunt dat hij de vreemdeling en referent, gelet op de specifieke feiten en omstandigheden van het geval, terecht heeft tegengeworpen dat zij elkaar voor het laatst hebben gezien toen referent nog minderjarig was. De staatssecretaris verwijst in dit verband terecht naar de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:533, onder 3 tot en met 3.4. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat, anders dan bij een huwelijk, de staatssecretaris niet verplicht is een partnerschapsrelatie met terugwerkende kracht te erkennen, zodra niet langer sprake is van minderjarigheid. De grief slaagt.
Slotsom
5. Het hoger beroep is gegrond. Het incidenteel hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover de rechtbank de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Omdat de staatssecretaris heeft erkend dat het besluit van 4 september 2020 een motiveringsgebrek bevat, heeft de rechtbank het beroep terecht gegrond verklaard en het besluit terecht vernietigd. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting laat de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb). Dit betekent dat de uitkomst van het besluit feitelijk toch blijft gelden. De staatssecretaris heeft deugdelijk gemotiveerd dat geen sprake is van een partnerschapsrelatie. Hij heeft het verzoek tot nareis dus terecht afgewezen. Nader onderzoek naar de identiteit van de vreemdeling zou niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 4 oktober 2021 in zaak nr. 20/7206, voor zover de rechtbank de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;
IV. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 4 september 2020, V-[...], in stand blijven.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen