ECLI:NL:RVS:2022:3842
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtsgeldigheid huwelijk en nareisverzoek vreemdeling afgewezen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 18 april 2017 het verzoek van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling, die een kerkelijk huwelijk had gesloten met een referent uit Eritrea, voerde aan dat het huwelijk rechtsgeldig was en dat er sprake was van een duurzame relatie. De rechtbank verklaarde het bezwaar van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het kerkelijk huwelijk niet rechtsgeldig was volgens het Eritrese internationaal privaatrecht, omdat de referent minderjarig was en het huwelijk niet door een bevoegde ambtenaar was gesloten. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat er geen duurzame en exclusieve relatie bestond. De staatssecretaris had terecht gewezen op het feit dat de vreemdeling en referent elkaar sinds het huwelijk nauwelijks hadden gezien.
Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover deze de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit bleven in stand. De Afdeling bevestigde daarmee de afwijzing van het nareisverzoek en wees verdere proceskostenvergoedingen af.
Uitkomst: De afwijzing van het nareisverzoek wordt bevestigd en het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard.