ECLI:NL:RVS:2022:3849

Raad van State

Datum uitspraak
21 december 2022
Publicatiedatum
21 december 2022
Zaaknummer
202206392/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak machtiging voorlopig verblijf vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 21 november 2017 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na een bezwaarprocedure handhaafde de staatssecretaris dit besluit op 14 oktober 2020. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond op 13 oktober 2022, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraak.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie op dit verzoek.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de belangen van partijen geen aanleiding gaven tot het treffen van een voorlopige voorziening. De uitspraak van de rechtbank legt weliswaar een zwaardere motiveringsplicht op de staatssecretaris, maar verplicht hem niet om de machtiging te verlenen. Bovendien zijn de gevolgen van uitvoering van de uitspraak niet onherstelbaar en vergt uitvoering geen onevenredige inspanning. Het verzoek werd daarom afgewezen en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: Het verzoek van de staatssecretaris om een voorlopige voorziening te treffen wordt afgewezen en hij moet de proceskosten van de vreemdeling vergoeden.

Uitspraak

202206392/2/V3.
Datum uitspraak: 21 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 13 oktober 2022 in zaak nr. 20/8138 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 21 november 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 14 oktober 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 oktober 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.       Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. De uitspraak van de rechtbank betekent weliswaar dat op de staatssecretaris een zwaardere motiveringsplicht rust, maar strekt er anders dan hij veronderstelt niet toe dat hij de gevraagde machtiging tot voorlopig verblijf moet verlenen. Uitvoering van de uitspraak heeft geen gevolgen die moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt. De voorzieningenrechter vindt verder van belang dat uitvoering van de uitspraak van de staatssecretaris geen onevenredige inspanning vergt.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        wijst het verzoek af;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Lange
voorzieningenrechter
w.g. Dallinga
griffier
18-959