ECLI:NL:RVS:2022:3849
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 21 november 2017 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na een bezwaarprocedure handhaafde de staatssecretaris dit besluit op 14 oktober 2020. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond op 13 oktober 2022, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraak.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie op dit verzoek.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de belangen van partijen geen aanleiding gaven tot het treffen van een voorlopige voorziening. De uitspraak van de rechtbank legt weliswaar een zwaardere motiveringsplicht op de staatssecretaris, maar verplicht hem niet om de machtiging te verlenen. Bovendien zijn de gevolgen van uitvoering van de uitspraak niet onherstelbaar en vergt uitvoering geen onevenredige inspanning. Het verzoek werd daarom afgewezen en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het verzoek van de staatssecretaris om een voorlopige voorziening te treffen wordt afgewezen en hij moet de proceskosten van de vreemdeling vergoeden.