ECLI:NL:RVS:2022:3884
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit handhaving veehouderij wegens onvoldoende motivering vergunningplicht
De zaak betreft het verzoek van MOB en Leefmilieu om handhavend op te treden tegen een veehouderij in Heijen wegens het beweiden van vee en het uitrijden van mest zonder natuurvergunning. Het college van gedeputeerde staten Limburg wees dit verzoek in eerste instantie af op grond van een vrijstelling in de Omgevingsverordening Limburg 2014, maar verklaarde het bezwaar van MOB en Leefmilieu gegrond en herzag het besluit, waarbij het verzoek opnieuw werd afgewezen vanwege het ontbreken van een beoordelingskader en rekenmethodiek.
De rechtbank Limburg vernietigde dit besluit en gaf het college opdracht om binnen zestien weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de veehouderij in de gelegenheid moest worden gesteld een aanvraag voor een aanpassing van de natuurvergunning te doen. Het college ging hiertegen in hoger beroep, stellende dat sinds 1 januari 2020 de vergunningplicht alleen geldt voor projecten met significante gevolgen en dat de termijn van zestien weken te kort was.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat zonder aanvraag per definitie sprake is van overtreding en dat de termijn voor het nemen van een nieuw besluit te kort was. Tevens stelde de Afdeling vast dat het college onvoldoende had onderzocht of de percelen daadwerkelijk als landbouwgrond in gebruik waren op de referentiedatum, waardoor niet kon worden vastgesteld dat het weiden en bemesten geen significante gevolgen heeft. Het besluit van 19 februari 2021 werd daarom vernietigd en het college opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, met de mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van 19 februari 2021 wordt vernietigd en het college moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen.