ECLI:NL:RVS:2022:3955
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
Bij besluit van 16 oktober 2020 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag vernietigde dit besluit en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand bleven.
In hoger beroep klaagde de appellant terecht dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagde, omdat de rechtbank onvoldoende rekening hield met de emotionele banden tussen de vreemdelingen en hun in Nederland verblijvende familieleden. De Afdeling bestuursrechtspraak verwijst naar haar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat bij een beroep op artikel 8 EVRM Pro een volledige belangenafweging moet worden verricht.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de rechtsgevolgen in stand liet en draagt de staatssecretaris op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen. Daarbij moet de staatssecretaris de feiten en omstandigheden van dat moment betrekken, de betrokkenen horen en een nieuwe belangenafweging maken. Tevens moet de staatssecretaris de proceskosten en griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe belangenafweging en besluitvorming door de staatssecretaris.