Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2022:3958

Raad van State

Datum uitspraak
27 december 2022
Publicatiedatum
27 december 2022
Zaaknummer
202104954/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel na intrekking hoger beroep

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 11 augustus 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank Den Haag vernietigde bij uitspraak van 15 juli 2021 dit besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

Nadat het hoger beroep was ingesteld, verleende de staatssecretaris op 22 november 2022 alsnog de verblijfsvergunning aan de vreemdeling. De vreemdeling handhaafde het hoger beroep slechts voor het verzoek om proceskostenvergoeding en trok het overige hoger beroep in.

De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat de vreemdeling met de verleende vergunning het doel van de procedure heeft bereikt en onvoldoende belang heeft bij verdere beoordeling. Tevens werd overwogen dat geen aanleiding bestaat om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van proceskosten, omdat deze niet aan de vreemdeling is tegemoetgekomen en het belang bij uitspraak niet door toedoen van de staatssecretaris is vervallen.

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de vreemdeling het doel van de procedure heeft bereikt met de verleende verblijfsvergunning.

Uitspraak

202104954/1/V1.
Datum uitspraak: 27 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 juli 2021 in zaak nr. NL20.16617 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 11 augustus 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 15 juli 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Purmerend, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Bij besluit van 22 november 2022 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling ingewilligd.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris heeft opnieuw een besluit op de aanvraag van de vreemdeling genomen en hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. De vreemdeling heeft het door hem ingestelde hoger beroep gehandhaafd voor zover dat gaat over het verzoek om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Voor het overige heeft hij het hoger beroep ingetrokken.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Met de door de staatssecretaris aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, heeft de vreemdeling het doel van de procedure bereikt. Daarom heeft hij geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep. De vraag of de staatssecretaris moet worden veroordeeld tot vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten, geeft onvoldoende aanleiding om tot een beoordeling van het hoger beroep over te gaan (uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1253).
3.       Niettemin moet worden bezien of de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan de vreemdeling tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855). De inwilliging van de aanvraag is ingegeven door de uitspraak van de rechtbank waarbij de staatssecretaris is opgedragen een nieuw besluit te nemen. De Afdeling overweegt dat met dit gegeven vaststaat dat de staatssecretaris niet is tegemoetgekomen aan wat de vreemdeling heeft betoogd in hoger beroep. Het hoger beroep is immers juist gericht tegen andere delen van de uitspraak van de rechtbank. Dat de staatssecretaris het besluit om de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling te verlenen heeft genomen nadat de vreemdeling hoger beroep heeft ingesteld, maakt op zichzelf niet dat hij de vreemdeling is tegemoetgekomen. Daarnaast is niet gebleken dat het het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de staatssecretaris is vervallen. Daarom bestaat geen aanleiding om de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep te veroordelen.
4.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Keizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2022
716-999