ECLI:NL:RVS:2022:479
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- B. Meijer
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in bewaring gesteld met onrechtmatige grondslag, recht op schadevergoeding toegekend
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 31 oktober 2021 in bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling had voorafgaand aan deze bewaring een asielwens geuit. De staatssecretaris wijzigde binnen twee dagen de grondslag van de bewaring naar artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. In hoger beroep oordeelt de Raad van State dat de bewaring van 31 oktober 2021 onrechtmatig was omdat de asielwens reeds was geuit en de grondslag van de maatregel niet tijdig was aangepast. De wijziging binnen twee dagen maakt de oorspronkelijke maatregel niet rechtmatig.
De Raad van State vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank voor zover het de bewaring van 31 oktober 2021 betreft en kent een schadevergoeding van €260 toe aan de vreemdeling. Het beroep tegen de bewaring van 1 november 2021 wordt bevestigd en afgewezen. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.277,00.
Uitkomst: Bewaring van 31 oktober 2021 onrechtmatig verklaard en schadevergoeding toegekend; beroep tegen bewaring van 1 november 2021 afgewezen.