ECLI:NL:RVS:2022:493
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging nihil vaststelling kinderopvangtoeslag 2017 wegens ontbreken inkomen uit werk en woning
Appellant en zijn toeslagpartner hebben twee kinderen die in 2017 gebruikmaakten van kinderopvang. Appellant heeft een onderneming en ontvangt royalty’s uit een licentieovereenkomst, maar geen belastbaar inkomen uit werk en woning in box 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De Belastingdienst stelde de kinderopvangtoeslag over 2017 definitief op nihil wegens het ontbreken van inkomen uit werk en woning, een voorwaarde volgens artikel 1.6, eerste lid, van de Wet kinderopvang.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat voor recht op toeslag alleen arbeid vereist is, niet inkomen, en dat hij in 2017 wel degelijk arbeid verrichtte. Ook stelde hij dat de toeslagpartner recht heeft op toeslag, waardoor het gelijkheidsbeginsel is geschonden. De Raad van State oordeelde dat inkomen uit werk en woning vereist is en dat de inspecteur de fiscale gegevens juist heeft vastgesteld. Verrichte arbeid zonder inkomen leidt niet tot recht op toeslag.
Verder is het standpunt van de Belastingdienst over de toeslagpartner niet relevant voor appellant, en is geen sprake van strijd met het verbod van reformatio in peius. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; appellant heeft geen recht op kinderopvangtoeslag 2017 wegens ontbreken van inkomen uit werk en woning.