ECLI:NL:RVS:2022:528
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling tijdens hoger beroep
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 23 maart 2018 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Tevens werd hem een terugkeerbesluit opgelegd om Nederland binnen vier weken te verlaten na afloop van het uitstel van vertrek. Dit terugkeerbesluit werd later ingetrokken op 18 april 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van 23 maart 2018, waarbij de staatssecretaris werd opgedragen een verblijfsvergunning te verstrekken. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in. De vreemdeling verzocht vervolgens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij niet zou worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt en hij zijn opleiding kon voortzetten.
De voorzieningenrechter overwoog dat de vreemdeling door de vernietiging van het besluit van de rechtbank rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Daarom was het verzoek om een voorlopige voorziening niet nodig en werd het afgewezen. De staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt afgewezen omdat de vreemdeling reeds rechtmatig verblijf heeft.