ECLI:NL:RVS:2022:883
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf na hoger beroep vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 17 mei 2018 de aanvragen van drie vreemdelingen voor een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat op 18 augustus 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde deze besluiten op 15 januari 2021. De vreemdelingen stelden hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De Raad verwees naar een recente uitspraak waarin het beoordelingskader voor soortgelijke zaken reeds is vastgesteld. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer, onder voorzitterschap van lid N. Verheij, op 24 maart 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.