ECLI:NL:RVS:2023:1157
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing inschrijving verhuizing op nieuw adres ondanks handicap
Het college van burgemeester en wethouders van Almere heeft het verzoek van appellant om zijn verhuizing naar een nieuw adres te registreren afgewezen, omdat hij volgens het college feitelijk nog steeds op het oude adres bij zijn moeder woont. Appellant was ambtshalve ingeschreven op het oude adres na een onderzoek in 2018. Hij maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de afwijzing van zijn verhuizing naar het nieuwe adres, dat is aangepast aan zijn handicap.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht aannam dat appellant niet op het nieuwe adres woonde en dat het beroep op het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap niet slaagde, omdat het college appellant niet verbood op het nieuwe adres te wonen, maar alleen stelde dat hij daar niet feitelijk woonde.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij door omstandigheden regelmatig bij zijn moeder verblijft, maar dat zijn enige woonadres het nieuwe adres is. Hij voerde aan dat het college onvoldoende bewijs leverde dat hij niet op het nieuwe adres woonde en dat het gebruik van de rittenadministratie van een taxidienst discriminerend was.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Afdeling overwoog dat het doel van de Wet basisregistratie personen is dat de geregistreerde gegevens betrouwbaar zijn en dat de feitelijke verblijfplaats bepalend is. Appellant had onvoldoende bewijs geleverd dat hij op twee adressen woonde. Het beroep op het VN-verdrag faalde omdat het college niet discrimineerde door gebruik te maken van neutrale gegevens uit de taxirittenadministratie.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de inschrijving van verhuizing bevestigd.