ECLI:NL:CRVB:2021:1888
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag Wajong-uitkering wegens ingezetenschapseis
Appellante, geboren in 1973 in Caïro en sinds 1999 woonachtig in Nederland, vroeg in januari 2018 een beoordeling van haar arbeidsvermogen aan op grond van de Wajong. Het UWV wees deze aanvraag af omdat zij op haar 18e verjaardag niet in Nederland, noch in de EU, EER of Zwitserland woonde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde vast dat zij niet als ingezetene in de zin van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) kon worden aangemerkt.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat de ingezetenschapseis discriminerend is, mede gelet op het VN-Gehandicaptenverdrag, en dat zij recht heeft op een minimuminkomen. Het UWV verdedigde het bestreden besluit. De Raad oordeelde dat de AAW van toepassing is en dat de ingezetenschapseis een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond vormt, die niet in strijd is met artikel 5 van Pro het VN-Gehandicaptenverdrag.
De Raad verwees naar eerdere rechtspraak en stelde dat het discriminatieverbod van het VN-Verdrag niet anders uitpakt dan eerdere verdragsrechtelijke bepalingen. Ook het beroep op artikel 28 van Pro het VN-Verdrag, dat het recht op een behoorlijke levensstandaard garandeert, werd verworpen omdat deze bepaling geen rechtstreekse werking heeft. De Raad concludeerde dat het bestreden besluit niet discriminerend is en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de Wajong-aanvraag wordt bevestigd omdat appellante niet op haar 17e verjaardag ingezetene was van Nederland.