ECLI:NL:RVS:2023:1292
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf in hoger beroep vreemdelingenrecht
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 april 2017 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 8 april 2021 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde bij uitspraak van 5 april 2022 deze afwijzing. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming. De rechtsvraag was reeds eerder door de Afdeling bestuursrechtspraak beantwoord in een uitspraak van 26 januari 2022. Daarom leidt het hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 31 maart 2023.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.