ECLI:NL:RVS:2023:1430
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H.J.M. Baldinger
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens niet-naleving salariscriterium kennismigrant
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde [appellante] een boete op van €12.000 wegens het niet naleven van het salariscriterium voor kennismigranten in de periode van 1 juli tot 31 december 2016. Na bezwaar werd de boete gematigd tot €4.000. De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of het salaris van de betreffende kennismigrant, dat door ingehouden vakantiedagen onder het vereiste minimum kwam, voldeed aan het salariscriterium. [appellante] stelde dat sprake was van een wettelijk recht op verkorting van de arbeidsduur, waardoor het lagere salaris gerechtvaardigd zou zijn. De Raad van State verwierp dit betoog omdat de aankoop van vakantiedagen niet leidt tot een wijziging van de overeengekomen arbeidsduur.
Verder werd betoogd dat geen verwijtbaarheid bestond omdat [appellante] instructies had gegeven aan haar accountant om het salariscriterium te respecteren. De Raad van State oordeelde dat fouten van de accountant voor rekening van [appellante] komen en dat zij had kunnen controleren of de instructies werden opgevolgd. Wel werd erkend dat sprake was van verminderde verwijtbaarheid.
De boete werd gematigd op grond van de beleidsregels, maar vanwege recidive met 100% verhoogd tot €4.000. [appellante] verzocht om verdere matiging, maar de Raad van State bevestigde het boetebedrag en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd met verbetering van gronden bekrachtigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €4.000 wegens overtreding van het salariscriterium voor kennismigranten ondanks verminderde verwijtbaarheid en recidive.