ECLI:NL:RVS:2023:1485

Raad van State

Datum uitspraak
17 april 2023
Publicatiedatum
17 april 2023
Zaaknummer
202201632/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake asielverblijfsvergunning na hoger beroep

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 26 oktober 2021 een aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 16 februari 2022 ongegrond verklaarde.

De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep richtte zich onder meer op rechtsvragen die reeds eerder door de Afdeling waren beantwoord, zoals het onderscheid tussen een verzoek om bestuurlijke heroverweging en een opvolgende asielaanvraag, en de verplichting van de staatssecretaris om te beslissen op nadien ingediende verzoeken.

De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die beantwoording in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming vereisten. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202201632/1/V2.
Datum uitspraak: 17 april 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 februari 2022 in zaak nr. NL21.18373 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 26 oktober 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Bij uitspraak van 16 februari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Het hoger beroep gaat onder meer over rechtsvragen die eerder door de Afdeling zijn beantwoord (uitspraken van 9 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:37, onder 2.1, over het onderscheid tussen een verzoek om bestuurlijke heroverweging en een opvolgende asielaanvraag en van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3742, onder 3.1, over de verplichting van de staatssecretaris om, ook na inwilliging van een opvolgende asielaanvraag, nog steeds te beslissen op een nadien gedaan verzoek om bestuurlijke heroverweging van een eerder afgewezen asielaanvraag). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2023
802-1024