ECLI:NL:RVS:2023:1519
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing rijbewijs na vermoedelijk rijden onder invloed van lachgas
Appellant werd op 7 november 2020 staande gehouden wegens het vermoeden van rijden onder invloed van een stof, namelijk lachgas. Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) legde hem een onderzoek naar zijn drugsgebruik op en schorste zijn rijbewijs. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze maatregel ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het CBR terecht mocht afgaan op de bevindingen in de processen-verbaal van 8 november 2020 en 30 januari 2021, waarin werd vastgesteld dat appellant met ballonnen in zijn hand, waarvan één in zijn mond, reed en afwijkend rijgedrag vertoonde. De aanwezigheid van lachgastanks en ballonnen in de auto, gecombineerd met uiterlijke kenmerken van lachgasgebruik, rechtvaardigt het vermoeden van rijden onder invloed.
Hoewel appellant in de strafrechtelijke procedure werd vrijgesproken, heeft deze vrijspraak geen directe gevolgen voor de bestuursrechtelijke beoordeling, mede omdat de strafrechtelijke uitspraak niet gemotiveerd was. De Afdeling verwierp verder de stellingen van appellant over onvoldoende motivering en strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De schorsing van het rijbewijs van appellant wordt bevestigd ondanks zijn strafrechtelijke vrijspraak.