ECLI:NL:RVS:2023:1662
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking vergoeding rechtsbijstand wegens bedrijfsmatig karakter rechtsbelang
De zaak betreft een hoger beroep tegen de intrekking van een eerder vastgestelde vergoeding voor rechtsbijstand verleend aan een rechtzoekende in een civielrechtelijke procedure over de verkoop van een tweedehandsauto. De Raad voor Rechtsbijstand had de vergoeding ingetrokken omdat het rechtsbelang volgens hen voortkwam uit de uitoefening van een bedrijf, namelijk de handel in auto's.
De appellant voerde aan dat de verkoop particulier was, onderbouwd met onder meer de koopovereenkomst en de Duitse advertentie waarin de auto als particulier werd aangeboden. De rechtbank stelde echter vast dat de rechtzoekende een eenmanszaak had ingeschreven bij de Kamer van Koophandel met activiteiten in de handel en reparatie van auto's, en dat de omstandigheden van de verkoop (aankoop in Polen, verkoop via Duitse website, onderhoudsbeurt) duidden op bedrijfsmatig handelen.
De Raad van State oordeelde dat de raad terecht de vergoeding had ingetrokken omdat het rechtsbelang verband hield met de uitoefening van een bedrijf. De argumenten van appellant waren onvoldoende om die conclusie te weerleggen. Ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalde, mede omdat appellant de mogelijkheid had om vooraf vragen te stellen aan de helpdesk van de raad.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de intrekking van de vergoeding bevestigd.