ECLI:NL:RVS:2023:1789
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat omgevingsvergunning eerste fase ziet op handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening
Appellanten hebben een tuinhuis op hun perceel in Rotterdam geplaatst en wilden dit legaliseren door op 14 maart 2019 een aanvraag in te dienen voor een omgevingsvergunning. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam weigerde deze vergunning op 17 juni 2019, omdat het bouwwerk in strijd zou zijn met het bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand. Na een wijzigingsbesluit en een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, verklaarde de rechtbank Rotterdam het bezwaar gegrond en vernietigde het wijzigingsbesluit.
Het college stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de aanvraag eerste fase betrekking had op handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, terwijl volgens het college alleen de activiteit bouwen was aangevraagd. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat appellanten op het aanvraagformulier hadden aangegeven dat het omgevingsvergunning eerste fase betrekking had op bouwen, maar dat uit de bijlage bij de aanvraag bleek dat zij een vergunning vroegen voor het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening.
De Afdeling oordeelde dat het college ten onrechte alleen het formulier leidend had geacht en de bijlage niet had betrokken. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de aanvraag eerste fase betrekking had op handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. Verder vernietigde de Afdeling het deel van de uitspraak dat het college opdroeg een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, omdat inmiddels van rechtswege een omgevingsvergunning was verleend voor het gehele tuinhuis. De overige onderdelen van de uitspraak werden bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en het college hoeft geen nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het primaire besluit.