ECLI:NL:RVS:2023:1835
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit leegstandvergunning wegens onvoldoende belangenafweging
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Renkum inzake een leegstandvergunning voor een woning in Oosterbeek. Appellant huurde de woning sinds 2015 en verzocht om intrekking van de leegstandvergunning wegens nadelige gevolgen voor zijn tijdelijke huurcontract. Het college verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk omdat de vergunning volgens hen op 1 maart 2018 van rechtswege was verlopen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde in een tussenuitspraak dat het college ten onrechte het bezwaar van appellant niet inhoudelijk had behandeld en dat appellant wel belanghebbende was. Het college werd opgedragen het gebrek te herstellen. Bij een nieuw besluit van 23 december 2020 werd het bezwaar alsnog inhoudelijk afgewezen, waarbij het college oordeelde dat niet onomstotelijk was bewezen dat de woning meer dan drie jaar was verhuurd in de tien jaar voorafgaand aan de vergunningaanvraag.
Appellant stelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan en dat er sprake was van onjuiste gegevens bij de aanvraag. De Afdeling stelde vast dat het college beleidsruimte heeft bij de intrekkingsbevoegdheid en dat de persoonlijke beleving van een derde niet voldoende bewijs is. Ook het feit dat de woning een beheerderswoning is, leidde niet tot intrekking. Het beroep tegen het besluit van 23 december 2020 werd ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van 20 december 2018 wordt vernietigd, het besluit van 23 december 2020 blijft in stand, en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.