ECLI:NL:RVS:2020:2692
Raad van State
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- Rechtspraak.nl
College moet inhoudelijk beslissen over intrekking leegstandsvergunning ondanks verlopen geldigheidsduur
Appellant huurt sinds december 2015 een woning waarvoor in 2013 een leegstandsvergunning is verleend aan de eigenaar. Hij heeft een huurgeschil met de eigenaar en verzocht het college om intrekking van de leegstandsvergunning, omdat dit gunstige gevolgen zou hebben voor zijn tijdelijke huurcontract. Het college verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk omdat de vergunning op 1 maart 2018 van rechtswege was verlopen.
De rechtbank oordeelde dat appellant geen belanghebbende was bij het verzoek, omdat de vergunning was verlopen en het verzoek daardoor geen effect kon hebben. Appellant stelde echter dat er onjuiste gegevens waren verstrekt bij de vergunningaanvraag en dat de vergunning alsnog ingetrokken zou moeten worden, wat gevolgen zou hebben voor zijn civielrechtelijke positie.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de vergunning inderdaad tot 28 februari 2018 geldig was, maar dat intrekking terugwerkende kracht kan hebben en de vergunning geacht moet worden nooit te zijn verleend. Hierdoor heeft appellant wel degelijk belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek. Het college heeft ten onrechte het verzoek niet inhoudelijk behandeld.
De Afdeling draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen en het gebrek in het eerdere besluit te herstellen. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het college wordt opgedragen binnen zes weken een inhoudelijke beslissing te nemen op het verzoek tot intrekking van de leegstandsvergunning.