ECLI:NL:RVS:2023:1955

Raad van State

Datum uitspraak
24 mei 2023
Publicatiedatum
22 mei 2023
Zaaknummer
202202146/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens vervallen belang na verlening verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 1 juni 2021 werd afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.

De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in tegen delen van de uitspraak van de rechtbank. Echter, voordat het hoger beroep inhoudelijk werd behandeld, verleende de staatssecretaris op 10 november 2022 alsnog de gevraagde verblijfsvergunning. Hierdoor had de vreemdeling het doel van de procedure bereikt en was het belang bij het hoger beroep komen te vervallen.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van proceskosten, omdat de inwilliging van de aanvraag het gevolg was van de rechtbankuitspraak en niet van een tegemoetkoming in hoger beroep. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.

De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 24 mei 2023, waarbij mr. H.G. Sevenster als lid van de kamer het vonnis wees.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het belang van de vreemdeling is vervallen na verlening van de verblijfsvergunning.

Uitspraak

202202146/1/V2.
Datum uitspraak: 24 mei 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 23 maart 2022 in zaak nr. NL21.10165 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juni 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 23 maart 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.J. Eizenga, advocaat te Amerongen, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 10 november 2022 heeft de staatssecretaris de aanvraag alsnog ingewilligd.
De staatssecretaris heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke
inlichtingen gegeven.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris heeft de Afdeling laten weten dat hij opnieuw op de aanvraag van de vreemdeling heeft beslist en dat hij de vreemdeling alsnog een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend. Daarmee heeft de vreemdeling het doel van de procedure bereikt. Daarom heeft de vreemdeling geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep.
2.       Niettemin moet worden bezien of de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan de vreemdeling tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855). De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de inwilliging van de aanvraag is ingegeven door de uitspraak van de rechtbank waarbij hem is opgedragen een nieuw besluit te nemen. De Afdeling overweegt, mede gelet op het voormelde, dat niet is gebleken dat de staatssecretaris is tegemoetgekomen aan wat de vreemdeling heeft aangevoerd in hoger beroep. Het hoger beroep is juist gericht tegen delen van de uitspraak van de rechtbank die niet ten grondslag lagen aan de opdracht om een nieuw besluit te nemen. Daarnaast is niet gebleken dat het procesbelang anderszins door toedoen van de staatssecretaris is vervallen. Daarom bestaat geen aanleiding om de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep te veroordelen.
3.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2023
802-1024