ECLI:NL:RVS:2023:2312
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering inschrijving in basisregistratie personen wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam weigerde de inschrijving van appellant in de basisregistratie personen (brp) omdat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Appellant, een Marokkaanse vreemdeling die in 2019 naar Nederland kwam en stelt slachtoffer te zijn van mensenhandel, had een verblijfsvergunning aangevraagd voor het verblijfsdoel 'humanitair niet tijdelijk'.
Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het besluit van het college gehandhaafd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het college de verblijfsrechtelijke status niet correct had vastgesteld en dat hij rechtmatig verblijf had vanwege een ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning. De Raad van State oordeelde dat het college wel degelijk de plicht had om te onderzoeken of sprake was van rechtmatig verblijf en dat het college daaraan had voldaan door contact met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
Hoewel de IND later bevestigde dat appellant met terugwerkende kracht rechtmatig verblijf had gehad, was dit verblijf op het moment van de beschikking verlopen. Bovendien had appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij belang had bij een terugwerkende inschrijving. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het college terecht geen gevolg gaf aan de inschrijvingsaanvraag.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft appellant niet in te schrijven in de basisregistratie personen.