ECLI:NL:RVS:2023:2364
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 8 juli 2021 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 2 februari 2022 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 september 2022 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State, die het hoger beroep beoordeelde. De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel was gekomen en nam de motivering van de rechtbank over. Het hoger beroep bevatte geen nieuwe vragen die rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming vereisten.
Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 19 juni 2023 door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf en verklaart het hoger beroep ongegrond.