ECLI:NL:RVS:2023:248
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging intrekking verblijfsvergunning asiel wegens onjuiste identiteitsgegevens
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok bij besluit van 19 november 2019 de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling in vanwege het gebruik van onjuiste identiteitsgegevens. De vreemdeling, afkomstig uit Syrië, had later zijn juiste identiteit kenbaar gemaakt en een nieuwe aanvraag ingediend die werd ingewilligd.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking onterecht was omdat de onjuiste identiteitsgegevens niet doorslaggevend waren voor de verlening van de vergunning. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep, stellende dat hij de vergunning niet zou hebben verleend bij juiste kennis van de identiteit.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en overwoog dat volgens de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder artikel 32 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 14 van Pro de Kwalificatierichtlijn, intrekking alleen mogelijk is indien het gebruik van onjuiste gegevens doorslaggevend is geweest voor de verlening. Dit was hier niet het geval omdat de vreemdeling op basis van zijn juiste gegevens alsnog een verblijfsvergunning ontving.
De intrekking werd daarom vernietigd met terugwerkende kracht, waardoor de vreemdeling sinds 18 juli 2016 rechtmatig verblijf heeft gehad. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €418,50. De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige toetsing van het intrekken van verblijfsvergunningen op basis van onjuiste gegevens.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de intrekking van de verblijfsvergunning asiel onterecht was en vernietigt het besluit tot intrekking.