ECLI:NL:RVS:2023:230
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekkingsbesluit verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende evenredigheidsbeoordeling
De vreemdeling, met Iraanse nationaliteit, kreeg in 2006 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, later omgezet in onbepaalde tijd, en verkreeg in 2014 het Nederlanderschap. De staatssecretaris trok in 2020 deze vergunningen met terugwerkende kracht in wegens het achterhouden van relevante identiteitsgegevens en weigerde een nieuwe vergunning, bepaalde onmiddellijke vertrek en legde een inreisverbod op.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt echter dat de staatssecretaris niet heeft vastgesteld of het achterhouden van de juiste identiteitsgegevens doorslaggevend was voor de verlening van de vluchtelingenstatus, wat wel vereist is volgens artikel 14, derde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn.
De Afdeling benadrukt dat de intrekking van de vluchtelingenstatus dwingend is als aan de voorwaarden wordt voldaan, maar dat een beoordeling moet plaatsvinden of bij bekendheid met juiste gegevens de status wel of niet was verleend. Omdat deze beoordeling ontbrak, vernietigt de Afdeling het besluit en de uitspraak van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd wegens onvoldoende beoordeling van de doorslaggevendheid van het achterhouden van identiteitsgegevens.