AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende medische en sociale noodzaak
Appellante woont sinds 2015 op de tweede etage van een woning zonder lift in Den Haag en heeft vanwege medische klachten aan haar linkerenkel een urgentieverklaring aangevraagd. Het college van burgemeester en wethouders heeft deze aanvraag afgewezen omdat er geen sprake is van een sociaal of medisch levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituatie, en de situatie niet zo schrijnend is dat toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd is.
De rechtbank heeft het besluit van het college bevestigd, daarbij stellende dat het sociaal-medisch advies van de GGD zorgvuldig was en dat het college geen aanleiding had om af te wijken van dit advies. Tevens werd geoordeeld dat het recht op eerbiediging van het gezinsleven, zoals beschermd door artikel 8 EVRMPro, niet is geschonden door het weigeren van de urgentieverklaring.
In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe gronden aangevoerd die de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank onjuist of onvolledig maken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond, waarmee de uitspraak van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring wordt bevestigd.
Uitspraak
202204251/1/A3.
Datum uitspraak: 28 juni 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Den Haag,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juni 2022 in zaak nr. 21/2957 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 4 december 2020 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 8 maart 2021 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 juni 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:6006) heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2023, waar [appellante], bijgestaan door mr. C.R.D. Kommer, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.R. Kross, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] woont sinds 28 januari 2015 in een woning op de tweede etage in Den Haag. Wegens medische redenen heeft zij een urgentieverklaring aangevraagd. Ze heeft namelijk klachten aan haar linkerenkel waardoor zij moeite heeft met het traplopen en een lift ontbreekt. Door het naar boven tillen en naar beneden dragen van haar kind, een kinderwagen en de boodschappen, is haar enkel overbelast geraakt. Hierdoor komt zij nog maar weinig buiten. Het college heeft haar aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen, omdat geen sprake is van een sociaal en/of medisch levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituatie. Daarnaast vindt het college de situatie van [appellante] niet zo schrijnend dat de hardheidsclausule moet worden toegepast.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat het college het sociaal medisch advies van de GGD mocht volgen, omdat dit advies door een medisch deskundige is opgesteld en gebleken is dat dit onderzoek zorgvuldig is geweest. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het college, door een urgentieverklaring aan [appellante] te weigeren, het recht op eerbiediging van haar gezinsleven op grond van artikel 8 vanPro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens niet heeft geschonden.
Beoordeling hoger beroep
3. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.